Kennel Of The Three Turnip's
Freek Nierop en Anita de Boer, Westfriesedijk 23, 1658 CE Lambertschaag, tel: 0229 582274 of e-mail
Basset Artesién Normand Ras Informatie
 

 

Over de Basset Artésien Normand in Nederland schrijven kan niet zonder onmiddellijk de naam te noemen van mevrouw A. Gondrexon-Ives Browne. Zij immers importeerde dit ras in Nederland, te beginnen in 1939. Onder haar bezielende leiding, ook als keurmeester van het ras, kwam het tot grote bloei in ons land.
Te voren had zij zich zeer uitvoerig ingewerkt in het ras, waarvoor zij vele jaren later een monografie schreef: “De Franse Basset Artësien Normand”. Getrouwd met de Fransman de heer J. Gondrexon, zelf bibliophiel, kon zij zich een uitgebreide antiquarische Franse kynologische literatuur verschaffen en zich zodoende in de geschiedenis van het ras verdiepen.

Het eerst wordt in de Franse literatuur over Bassets gesproken door Jaques du Fouilloux, wat aangeeft dat Bassets tenminste voor de 16de eeuw bestonden en het is waarschijnlijk dat dat reeds veel eerder het geval zal zijn geweest. Sommige auteurs waren van mening dat de eerste Bassets uit Vlaanderen naar Frankrijk zijn gekomen. In het midden van de negentiende eeuw waren de Bassets bijna verloren gegaan.

De naam Basset Artésien Normand geeft aan dat het ras een Bâtard is, dus een kruising tussen twee bestaande Franse Brakkenrassen. Deze twee waren de Bassetvorm van de nu uitgestorven Chien Normand en de Bassetvorm van de nog bestaande Chien d’Artois. Aan deze twee Bassets kleven eigennamen, want elk had een eigen, beroemde, fokker. We spreken van het einde van de negentiende eeuw. Het zwaardere type werd gefokt door Monsieur Lane en het lichtere door Comte Le Couteulx de Canteleu. Uit het boekje van mevr. Gondrexon destilleer ik de typering van beide rassen. De Basset Le Couteulx, deze is driekleurig en kortharig. Sommige met enige spikkels in het wit. Dit laatste is een bewijs dat het wit van jachthonden eigenlijk de lichtste vorm van schimmeltekening is, dus een sterke overheersing van witte haren boven gekleurde. De “mouches” blijven dan nog zichtbaar. Het hoofd is dikwijls wat breed, het oog eerder groot en uitpuilend. Het oor is middelmatig groot, rond, meestal plat en hoog aangezet, vergeleken met de Basset lne. Het lichaam als geheel is breed, tamelijk kort voor een Basset, gedrongen, de dij goed gerond, de staart nogal kort en borstelig. De benen zijn hetzij half krom, hetzij recht. Het is mogelijk, denkt mevr. Gondrexon, dat bij het scheppen van deze Baset-stam Beagle-bloed is gebruikt. Dit valt af te leiden uit het enigszins uitpuilende oog, het platte en enigszins hoog aangezette oor, de borstelige, niet Franse staart en het uitgesproken diepzwarte deel van de driekleur, met het oranje op het hoofd. Deze honden hadden een grote jachtpassie. De Basset Lane Het waren heel grote Bassets, niet door de maat, maar door de omvang. De oorsprong (de Chien Normand) was een zware hond. Door de dyschondroplastische afwijking, dus de kortbenigheid, was de hoogte gering, maar het zware hoofd en het lichaam bleef natuurlijk hetzelfde. De kleur was dikwijls wit en oranje of wit met haaskleurige vlekken. Uitgesproken zwarte vlekken waren vrij zeldzaam. Het hoofd van de Basset Lane was droog, bleek -oranje van kleur en zeer mooi belijnd, met een prachtig, laag aangezet oor dat puntig eindigde. Het lichaam, de lendenen en de dijen waren prachtig gebouwd. De benen minstens halfkrom, vaak geheel krom. Van gedrag zijn ze heel gezeglijk. Goed spoorvast met enorme stem. Duidelijk een hond van edel ras, constant verervend, ook met een minder adelijke partner.

In 1874 begon Léon Verrier met het fokken van Bassets. Hij deed er na vele selecties 40 jaar over tot hij zijn doel bereikte en de hond ontstond zoals wij die nu nog kennen, met behulp van de types Lane en Le Couteulx. Pas in 1938 werd het gecombineerde type aanvaard en kreeg hij de naam Basset Artésien Normand. Eind negentiende eeuw omporteerde Jhr. D. Röell enige Franse Bassets uit Engeland. Deze honden waren sedert 1874 aldaar aanwezig. Er was toen weinig belangstelling voor in ons land. In 1939 importeerde mevrouw Gondrexon de Basset Artésien Normand in Nederland. Bij de Basset Artésien Normand deed zich een merkwaardig verschijnsel voor, namelijk dat het fraaiste type altijd gepaard gaat met een zwak front en dat de honden met een sterk front meestal aan type en distinctie hebben verloren. Het ideall moet volgens mevrouw Gondrexon zijn: een forse, lage hond met recht onder- en boven belijning, een fraai besneden hoofd met een zeer lang, dun en laag aangezet behang (oor) en een sterk front.
In 1960 was de behoeft aan vers bloed, zowel in Frankrijk als in Nederland dringend. De fransman Pierre Leparoux koos toen voor een kruising met een Bassethound uit Engeland die Frans bloed voerde. Dit werd Sykemoor Bouncer, van de Engelse fokker en auteur G. Johnston. Mevrouw Gondrexon ging echter haar eigen weg. Zij wilde de honden die langzamerhand te fijn werden, verbeteren door inteelt te bedrijven in haar eigen stam Bassets Artësien Normand. Zij dacht dat het zwaardere type van vroeger er erfelijk nog moest inzitten. Dit bleek juist te zijn. Juist inteelt bracht het zwaardere type van vroeger weer naar boven.

 

Basset Artesién Normand Ras Standaard

ALGEMEEN VOORKOMEN:
Een lange hond dan overeenkomt met de hoogte, flink op de benen, goed in elkaar zittend, met adelijk voorkomen.
HOOFD:
Gewelfd, middelmatig breed, met wangen niet door spieren gevormd zoals bij de Bulldog, maar alleen door de huis, die er één of twee plooien in vormt; in het geheel moet het hoofd droog zijn.
NEUSSPIEGEL
: zwart en breed, een beetje voor de lippen uitstekend, met goed geopende neusgaten.
SNUIT
: middelmatig lang, vrij breed, licht gebogen voor de neusspiegel.
SCHEDEL: stop aangegeven zonder overdrijving. De achterhoofdsknobbel soms zichtbaar.
OOG: groot, donker, met kalme en ernstige uitdrukking. Het rood van het onderlid kan soms zichtbaar zijn.
OREN
: zo laag mogelijk aangezet, nooit boven de ooglijn, smal bij de aanzet, goed gedraaid, soepel, fijn, zeer lang, minstens even lang als de snuit en bij voorkeur in een punt eindigend.
HALS: vrij lang, met wat keelhuid, maar zonder overdrijving.
SCHOUDER: rond, sterk en kort, goed gespierd.
VOORBENEN: kort, zwaar, krom of half krom of iets minder dan half krom, mits er een spoor van kromming voldoende aanwezig is. Maar nooit knikkend, knikkend wil zeggen da pols naar voren doorbuigend. Dikwijls zijn op de middenvoet meerdere huidplooien.
VOETEN: loodrecht geplaatst, zo niet, dan met ten zonder misvormingen, zodat ze allen de grond raken. De voeten van de Basset moeten in de sneeuw of op zachte ondergrondde voetafdrukken achterlaten van een grote hond.
BORST: borstbeen goed vooruitstekend, de borst middelmatig diep, maar breed en rond.
RIBBEN: rond, door hun rondheid het gemis aan diepte compenserend.
RUG: breed en vast.
LENDENEN: licht gewelfd.
HEUPEN: iets schuin, waardoor het kruis licht afloopt.
DIJEN: zeer gevuld en gespierd, moeten met het kruis een bijna ronde massa vormen.
SPRONGGEWRICHTEN
: licht gebogen en sterk. Ze zijn vaak de zetel van één of meerder huidplooien, zoals men aan de voorbenen aantreft en aan de achterkant (de punt van het hielbeen) is een licht uitsteeksel, gevormd door de losheid van de huid.
STAART: goed aangezet, nogal lang, zwaar bij de aanzet en zich geleidelijk aan verdunnend. Soms sabelvormig gedragen, maar nooit over de rug vallend. De altijd iets langere en grovere beharing aan de onderkant van de staart mag absoluut niet afstaan, maar moet volkomen glad aanliggen. Het is absoluut verboden de staart van tentoongestelde honden bij te werken.
KLEUR: driekleurig of wit en oranje, tweekleurig. De driekleurhond moet veel rood aan het hoofd hebben, met een mantel of met vlekken, die zwart, haaskleurig of daskleurig en met rood omrand moeten zijn.
VACHT
: glad, kort en dicht, zonder fijn te zijn.
SCHOUDERHOOGTE: van 26cm tot 36 cm.
GANG: kalm, maar zeer gemakkelijk.
DISKWALIFICATIES: duidelijk bovenvoorbijten, rechte benen. Zonde dat zij uitsluiten zijn vlekjes ongewenst. Zij doen dit wel als zij zo talrijk zijn, dat zij aan het wit van de vacht een blauwachtige tint geven.
FOUTEN: plat hoofd, breed voorhoofd, oren die plat en dik zijn, of hoog en breed aangezet. Korte hals, slappe of zadelrug. Voorbenen elkaar rakend in de pols, of knikkend. Naar buiten gedraaide ellebogen. Ribben en voeten die plat zijn, dikke of spreidvoeten. Staart te lang of scheef gedragen. Platte dijen, koehakkig. Ogen die het bindvlies teveel laten zien.

Basset pagina ...
 
© Of the Three turnip's