Kennel Of the Three Turnip's
Freek Nierop en Anita de Boer, Westfriesedijk 23, 1658 CE Lambertschaag, tel: 0229 582274 of e-mail
Weimarse Staande Hond Rasinformatie
 

 


De Weimaraner is een middelgrote tot grote jachtgebruikshond met een schofthoogte tot 70 cm (bij reuen). Hij komt voor in twee variëteiten, namelijk de korthaar en de langhaar. Het meest opvallend zijn de amberkleurige ogen en is de kleur van de beharing, die zilver-, ree- of muisgrijs moet zijn.

Over de herkomst van het ras zijn vele uiteenlopende theorieën ontwikkeld, waarvan er een aantal aannemelijk lijken terwijl weer andere verklaringen zeer speculatief zijn. In elk geval wordt de Weimaraner beschouwd als het oudste zuiver gefokte Duitse staande jachthondenras.
Een korthaar Weimaraner is dan ook géén Duitse Staande Korthaar met een andere kleur, evenmin als de langhaar Weimaraner een grijze Duitse Langhaar is!
De Fransen beweren, dat Frankrijk de bakermat van de Weimaraners is en wijzen daarbij op oude wandtapijten en schilderijen o.a. van Van Dijck waarop een op de Weimaraner lijkende hond is afgebeeld. Pas veel later, nadat het fokken aan het Franse Hof in verval is geraakt, zou het Hof van Weimar deze taak hebben overgenomen, waarbij deze grijze jachthond definitief de naam Weimaraner zou hebben gekregen. Lange tijd zou het fokken het alleenrecht van het Weimarse Hof zijn geweest. Het vearhaal gaat, dat zelfs Bismarck het bezit van een Weimaraner zou zijn geweigerd.
Na de val van het Duits Keizerrijk verdween de Weimaraner praktisch van het toneel. Gelukkig ging het ras niet helemaal verloren en waren er in die tijd ook liefhebbers, die het ras voor uitsterven hebben behoed.
Na de Tweede Wereldoorlog groeide de belangstelling in Engeland en Amerika en heeft men veel moeite gedaan om het in verval geraakte ras weer op peil te brengen. De eerste twee (steriele) Weimaraners werden in 1928 naar Amerika geëxporteerd. Tien jaar later werden er opnieuw Weimaraners naar Amerika overgebracht, waarna het eerste in de Verenigde Staten gefokte nest in 1939 werd geboren.
In Engeland werden de eerste Weimaraners pas in 1954 geïmporteerd. Zowel in Frankrijk als in Engeland en Amerika beleefde de Weimaraner een nieuwe opkomst. De “Grey Ghost” zoals de Amerikanen hem noemen vanwege zijn kleur, was met zijn soepele gangen een opmerkelijke verschijning. Hij deed in enkele staten van Amerika, zoals Wisconsin, dienst als politiehond. In Tokio trad hij op als “drugs hond” en bij de politie van de stad Londen liep er tussen de Duitse Herders lange tijd een Weimaraner als speurhond. Hij trad ook op in films. Zo was een Weimaraner de trouwe begeleider van de Western filmster Roy Rogers. Vooral blijft de Weimaraner natuurlijk een allround jachtgebruikshond.

Oorspronkelijk zou hij door de Fransen gebruikt zijn als lopende hond en werd hij in de 19de eeuw door de Duitsers afgericht en ingezet als staande hond. De Duitsers beschouwen hem als de aristocraat onder de jachthonden. Hij is geschikt voor de jacht op alle wild en kan dienst doen onder alle terreinomstandigheden. Kortom een hond geschikt voor de meest uiteenlopende jachtpartijen.

Naast zijn geschiktheid voor de jacht is de Weimaraner ook een uitstekende huishond. Hij is zeer gesteld op zijn huisgenoten. Niet alleen voor de baas, doch ook voor de rest van de familie, man/vrouw en de kinderen gaat hij door het vuur. Als er gevaar dreigt komt zijn waak- en verdedigingsdrift naar voren. Het is een temperamentvolle hond met een duidelijk eigen karakter, die met zachte doch vaste hand zeer consequent moet worden opgevoed om uit te kunnen groeien tot een ideale kameraad.

Hij is zeer gesteld op het leven in huiselijke kring. Het spreekt vanzelf, dat deze middelgrote temperamentvolle jachthond ook de ruimte en beweging nodig heeft. Men kan niet volstaan met een paar keer per dag een blokje om. Hij moet enige keren per dag de gelegenheid krijgen zijn energie kwijt te raken door vrijuit te rennen. Met moet hem dag in dag uit, weer of geen weer, daartoe de gelegenheid geven. Heeft u er dit niet voor over, begin er dan niet aan. Het is geen hond die men in een kennel kan houden. Ook voor kleine kinderen zijn deze honden erg lief, al kunnen ze erg onstuimig zijn in het gezelschap van kleine kinderen. Met honden en andere huisdieren hebben ze normaal gesproken geen problemen.


WEIMARSE STAANDE HOND (STANDAARD)
Rasstandaard van de Weimarse Staande Hond 14 september 1969
A. EIGENSCHAPPEN
Een veelzijdige, gemakkelijk onder appel te brengen en gepassioneerde jachtgebruikshond, die systematisch en volhardend zoekt, echter niet overdreven temperamentvol. Neus opvallend goed. Rooftuig- en manscherp. Betrouwbaar in het voorstaan en bij het waterwerk. Opvallende werklust na het schot, zoals spoorvastheid, het verlorenbrengen en brengtrouwheid. Om deze eigenschappen te houden en te versterken moeten we naast zuivere fok:

a. positieve resultaten der ouders bij tenminste een “Herbstzuchtprüfung” (najaarswedstrijd) overeenkomstig de voorschriften van de Duitse gebruikshondenvereniging, of een wedstrijd die deze voorschriften overtreft, overlegd kunnen worden.
b. De bij de paring te gebruiken Weimaraners moeten in de zin, van de herdruk der statuten (bijlage) uit 1970, “scherpte” hebben.
c. Nerveuze, bange en niet- schotvaste honden, evenals aanvreters en het wild begravende honden, monorchide en kryptorchide reuen, alsook honden met niet goed gesloten ogen uit de fokkerij gesloten te worden. Hetzelfde geldt ook voor té kleine en té grote honden, die de gebruiks-, fok,-, en schoonheidswaarde verminderen, alsook voor ziekelijke honden, honden met rachites en andere misvormde honden en voor degene die bij een exterierkeuring minder dan “goed”krijgen, of een niet correct gebit hebben. Het bewijs van Verdedigingshond I o. Ä. der betreffende fokdieren strekt tot aanbeveling.
Om te voorkomen dat het principe der prestatiefokkerij verloren gaat, is bij het fokken de goedkeuring nodig van de Duitse Weimaraner Klub e.v., als zijnde de enige vereniging op dit gebied, wier bestuur om bepaalde lijnen te behouden, uitzonderingen toestaat, doch ook verdere voorschriften geven kan.
B. RASKENMERKEN
1. algemeen voorkomen: middelgrote tot grote jachthond. Schofthoogte: a. reuen 59-70 cm; teven 57-65 cm. Doelmatig werktype, mooi van uiterlijk en goed bespierd. Er moet duidelijk verschil zijn in het type van de reu en de teef.
2. kleur: zilver-, ree-, of muisgrijs, evenals tussenvormen van deze kleuren. Hoofd en behang meestal iets lichter. Geringe witte aftekening slechts toelaatbaar op borst en tenen. Vaak komt een min of meer donkere aalstreep voor over het midden van de rug.honden met een rood-gele aftekening kunnen –slechts als de resultaten van proeven boven het gemiddelde zijn- na de beslissing van de vereniging voor de fokkerij worden gebruikt. Door deze aftekening mogen ze bij een exterieurkeuring nooit meer dan een “goed”behalen. Bruine aftekening wordt gediskwalificeerd.
3. beharing:
A. Ideaal haar: zacht kort, hard kort, zijdeachtig
B. Stokhaar
C. Langhaar
Ad A. zeer kort (doch langer en dichter dan bij de meester vergelijkbare hondenrassen), vlak aanliggend dekhaar, met of zonder onderwol.
Ad B. middellang, dicht, recht en vlak aanliggend dekhaar, met dichte onderwol, matig ontwikkelde bevedering en broek.
Ad C. zacht, lang dekhaar met of zonder onderwol. Vlak of gegolfd. Aan de oorpunten fluweelachtig, bij de ooraanzet lang erover vallend. Met haar van doelmatige lengten (3-5 cm) op de rug en aan de flanken. – aan de onderkant van de hals, de voorborst en aan de buik meestal langer, goede bevedering en broek, echter naar onder toe minder lang. – staart met goede pluim, tussen de tenen behaard, en minder lang aan het hoofd (vaak is de vacht pas goed ontwikkeld na het tweede levensjaar).
4. hoofd: matig lang, in harmonie met de lichaamsgrootte. Bij reuen breder dan bij teven, echter bij beide _ tussen het behang in de breedte – in verhouding tot de lengte van het hoofd. Van neuspunt tot aanvang schedel iets langer dan van aanvang schedel tot achterhoofdsknobbel. In het midden van de schedel een verdieping, de achterhoofdsknobbel licht tot matig zichtbaar. Achter de ogen een goed zichtbaar jukbeen. Vang lang en – vooral bij reuen – krachtig, van opzij bijna vierkant lijkend. De vang en de omgeving van de hoektand ongeveer even breed (sterk). Krachtig gebit zonder fouten. Neusrug recht, of iets gewelfd, doch nooit naar onder doorgebogen (pointerneus). Uiterst geringe stop. Lippen matig overvallend, deze evenals het gehemelte vleeskleurig. Kleine mondvouw. Bakken gespierd en duidelijk ontwikkeld. Droog hoofd
5. behang: breed, tamelijk lang, ongeveer reikend tot de mondhoek, puntig aan de onderzijde en hoog en smal aangezet. Bij oplettendheid iets naar voren gedraaid en gevouwen.
6. neus: donkervleeskleurig, naar achteren overgaand in grijs. Steekt voor de onderkaak uit.
7. ogen: licht tot donker barnsteenkleurig, met intelligente uitdrukking. Als pup hemelsblauw. Rond nauwelijks scheefstaand.
8. hals: gespierde, nagenoeg ronde hals, die niet te kort is en een adellijk voorkomen heeft en edel gedragen wordt. Steviger wordend naar de schouder en harmonisch overgaand in borst – en ruglijn. Zonder wannen en weinig keelhuid.
9. lichaam: in goede verhouding en gespierd. Lengte: schofthoogte = 12:11
10. borst: krachtig, niet overdreven breed, met voldoende diepte – bijna tot de elleboog reikend – en lengte. Gewelfd, zonder tonvormig te zijn, met lange ribben.
1. rug: enigszins lange rug, zonder doorgezakt te zijn. Achter niet overbouwd en voor niet overstaand.
2. staart: ongecoupeerd .
3. schouders: goed gehoekt, lang, schuin, en goed aanliggend, door sterke spieren verbonden.
4. gangwerk: in het algemeen “hoog” niet te breed staand, pezig en recht - -opperarm goed gehoekt en voldoende lang en sterk – Afstand elleboog naar midden van de middelvoetsbeentjes is nagenoeg gelijk aan afstand elleboog naar schoft. Ellebogen noch naar binnen noch naar buiten gedraaid. Vrij recht gelegen. Voorhand goed in verhouding tot romp staand. Gangwerk voor evenwijdig. Achterhand van heup tot spronggewricht lang. Heup -, knie – en spronggewricht goed gehoekt, d.w.z. bovenschenkel korter dan de onderschenkel. Deze laatste minder goed gehoekt dan eerstgenoemde gewrichten. Gangwerk achter eveneens evenwijdig, pezig gespierd, noch naar buiten noch naar binnen staand. Een samenstelling van beenderen, die bij het gaan moeiteloos samenwerken. Bij het gaan de voorbenen duidelijk parallel met de achterbenen. De rug moet in draf horizontaal blijven. 4. voeten en zoolballen: gesloten en krachtig, zonder Hubertusklauwen. Recht onder het lichaam staand. Tenen goed gewelfd, iets langere middeltenen zijn niet fout. Nagels - licht tot donkergrijs. Zoolballen rechtop staand.
Aanvulling op de bijgewerkte standaardnormen:
Naast de algemeen gebruikelijke methode om het exterieur te beoordelen (b.v. dat juiste beoordeling van de hond slechts in beweging mogelijk is, denkend aan het feit, dat een goed gebouwde hond in stand zich altijd tracht te ontlasten, gaat zitten of gaat liggen of in stand de houding nadelig beïnvloedt) en het niet de opdracht van een keurmeester kan zijn om “eindelijk een hond op een fout” te betrappen, zoals een kynoloog van naam uitdrukte, worden de hierna volgende richtlijnen aanbevolen:
Met uitzondering van diskwalificerende fouten, kunnen andere fouten, naar gelang het aantal en samenhang der fouten, de kwalificatie tot “onvoldoende” inkrimpen.

A. Diskwalificerende fouten: ( absoluut tegen de raspunten in of in strijd met de raspunten en derhalve bij kwalificatie met “onvoldoende”te belonen)
Kleur, anders dan tinten van grijs. Bruine aftekening. Kleur van de ogen anders dan barnsteenkleurig.
Te schuin staande ogen. Entropion of ectropion.
Duidelijke stop. Niet typisch weimaraner hoofd.
Naar onder gebogen neusrug (pointerneus).
Gebrekkige beharing (speciaal aan de buikzijde) (m.u.v. teven met, of met onlangs gehad, nest).
Reuen, waarvan de beide testikels niet zichtbaar zijn.
Karakterzwakke, bijzonder schuwe en angstige honden.
Te grote en te kleine honden.
Aanlaeg tot zwakte enrachitis.
Honden met ernstige gebitsfouten, speciaal bovenbijters en ondervoorbijters.
Rosekleurige neusspiegel. Honden, die niet in tentoonstellingsconditie zijn.

B. Ernstige fouten: (uitsluitend gekwalificeerd met “voldoende” en “onvoldoende”)
Ontbreken van meer dan 2 premolaren.
Slecht gangwerk, ook gebrekkig lopen en voorschuiven, niet gesloten voeten, zoolballen niet rechtopstaand. Onvoldoende hoeking in voor- en achterhand.
Slecht spronggewricht.
Achterklauwen.
Duidelijk doorgezakte rug of karperrug.
Sterk overbouwd (slechts met de opmerking “onvolmaakt”) te korte of te spitse vang (naarmate de ernst van het gebrek de kwalificatie terugbrengend tot “gebrekkig”) te veel lip.
Te kort behang (oren).
Honden niet overeenkomstig het betreffende geslachtstype.
Niet duidelijk zichtbare achterhoofdsknobbel.
Keelhuid.
Onvoldoende borstdiepte of –lengte. Knikstaart, indien een niet verworven eigenschap (anders gebrekkig).
Staart te hoog aangezet.
Afstaande beharing en gebrekkige onderwol bij de stokharige variant. Met uitzondering van bevedering en broek.

C. fouten: ( uitsluitend gekwalificeerd van “goed”tot “onvoldoende”).
Onvoldoende bespiering.
Gebrekkig gebit.
Te losse keelhuid.
O-benen en koehakkige benen (indien in sterke mate is het een ernstige fout) te wijd of te nauwstaand (het laatste echter niet veroorzaakt door een te smalle borst) (indien in sterke mate is het ook een ernstige fout).
Iets doorgezakte of karperrug.
Iets overbouwd.
Ellebogen, anders dan naar achteren wijzend.
Te steile of te losse schouder.
Onvoldoende schoft.
Voeten naar binnen- of naar buiten gedraaid (franse stand).
Te lange romp.
Een in opwinding niet geheven staart.
Krullen bij langharige weimaraners.
Te geringe bevedering bij langharige weimaraners.
 







   
Terug naar start pagina.
© Of the Three turnip's